Geschiedenis spoorwegen
in en om
Roosendaal

 
 
 

De spoorwegovergang 'De Schuiven'

 
 
De spoorwegovergang, midden in het stadscentrum van Roosendaal, tussen Markt en Kade, is al sinds jaar en dag bekend onder de naam ‘De Schuiven’. De overweg is al sinds 1972 uitgerust met een AHOB (Automatische Halve Overwegbomen). Maar kennelijk is het de Roosendalers toch ontgaan dat die sluitbomen niet schuiven maar al 125 jaar wippen.
 
Van oorsprong lag de overweg (sinds de opening van de spoorweg Antwerpen - Roosendaal in 1854) in de rijksstraatweg van Breda naar Bergen op Zoom. De afsluiting vond plaats met ‘schuifsluitbomen’, zoals gebruikelijk in de eerste decennia van de spoorwegen.
 
 
Een plaatje uit de eerste decennia van de overweg ontbreekt, vandaar dat we onze toevlucht moeten tot een plaatje op de Zeeuwse lijn uit 1913. Rechts zien we de overwegwachteres met in haar hand de schuifsluitboom. Indien de overweg open is, dan ligt de schuifsluitboom op een ijzeren stellage. Indien de overweg dicht is, dan valt de schuifboom in een beugel aan de overzijde (achter de landbouwwagen).
 
Ofschoon de lijn van Antwerpen over Roosendaal naar Moerdijk met een zijtak van Roosendaal naar Breda geheel door een Belgische spoorwegmaatschapij (met geld uit Engeland) is aangelegd, valt het toch te betwijfelen of er in West-Brabant wel 'rolschuifsluitbomen' of 'rolschuifbarrelen' naar Belgisch of Engels ontwerp zijn gebruikt. Hoogstwaarschijnlijk kwamen die sluitbomen pas na 1880 in zwang, het jaar waarop de Staat der Nederlanden alle spoorwegen in West-Brabant opkocht en in exploitatie gaf bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS). Overigens sloot een 'rolschuifsluitboom' een overweg hermetisch af.
 
 
'Rolschuifsluitbomen' zijn in Belgie tot ver in de twintigste eeuw in gebruik geweest. Soms hebben ze ook een herbestemming gekregen, zoals in Beauraing, waar er een is opgehangen aan extra jukken en dient als afsluiting van het stationsterrein. Het is goed te zien dat zo'n constructie een waarborg was voor een goede afsluiting. Het later veel in Nederland gebruikte traliewerk kwam in Belgie nauwelijks of niet voor. Foto M.C.J. Broos, 15 juli 1978.
 
Na 1880 nam het verkeer, zowel op het spoor als over de weg in Roosendaal tussen Groot Roosendaal (Markt) en Klein Roosendaal (Kade) flink toe, zodat de spoorwegovergang in 1886 werd uitgerust met wipsluitbomen en (opvouwbaar) traliewerk. Dit zorgde voor een hermetische afsluiting voor voetgangers, want nogal wat fabrieksarbeiders naar en van hun werk aan de Oostelijke Havendijk hadden de vervelende gewoonte er onder door te kruipen en dat nog kort voor een aankomende trein.
'De Schuiven' was één van de eerste overwegen in heel Nederland, die van zo'n inrichting werd voorzien. Voor het rijdend verkeer werden twee grote sluitbomen gemonteerd en voor de voetgangers kwam er een afzonderlijk stel sluitbomen aan de zuidzijde van de overweg. De wachter kon deze apart openen en sluiten, zodat voetgangers in voorkomende gevallen nog wat langer de tijd kregen om over te steken. De bediening vond plaats met een hendelinrichting, trekdraden en contragewichten. De inmiddels in de volksmond gewortelde naam 'De Schuiven' zou echter tot op de dag van vandaag blijven voortleven.
 
 
Gezicht op de Dwarskade, circa 1910. Het voetpad ligt aan de zuidzijde van de overweg en heeft aparte sluitbomen. Rechts staat de
wachtpost voor de overwegwachter en aan de andere kant ligt het vroegere post- en telegraafkantoor.
 
 
Gezicht op de Dwarskade, circa 1920. Het voetpad ligt aan de zuidzijde van de overweg en heeft aparte sluitbomen (waarvan die aan de kant van de Markt buiten het beeld valt. Rechts staat de wachtpost voor de overwegwachter en aan de andere kant lag het vroegere post- en telegraafkantoor.
 
Na 1930 werd de overweg door een drastische toename van het gemotoriseerd wegverkeer steeds meer een bottle-neck. De overweg lag immers nog steeds in een rijksstraatweg. De in 1938 geopende 'rondweg' om Roosendaal was het eerste stuk nieuwe rijksweg in West-Brabant sinds de tijd van Napoleon en ontlastte de overweg van alle doorgaand verkeer.
Maar daarmee was 'het grote schuivenleed der kleine luiden, de voetgangers en fietsers' nog niet verholpen. Pas op zaterdagmiddag 24 september 1955, om 15.15 uur, stak de Roosendaalse burgemeester A. Freijters de eerste spade in de grond voor de aanleg van een onderdoorgang in gewapend beton, geheel op eigen kosten. De officiele opening vond plaats op 20 oktober 1956.
Ter herinnering aan de 'hereniging' van de in 1854 bruut gescheiden stadsdelen werd toen ook het stenen beeld 'Moeder en kind' van de beeldhouwer Joop Vlak onthuld. Het beeld bevindt zich sindsdien op een sierbetonnen sokkel op de rand van de onderdoorgang aan de Stationsstraat.
 
 
Met op de achtergrond de 'Paterskerk' omhelzen moeder en kind (van de beeldhouwer Joop Vlak) elkaar al sinds 1956 ter herinnering aan de hereniging van de ruim honderd jaar tevoren gescheiden stadsdelen. Een sneeuwkleed kan hen niet deren. Foto M.C.J. Broos, 28 december 1985.
 
Ook het lokale wegverkeer kreeg in 1964 een onderdoorgang aan de Badhuisstraat ( Burgemeester Freijterslaan). De nieuwbouwwijk 'Westrand' was immers in aanleg. Maar inmiddels was ook ‘De Schuiven’ flink gemoderniseerd. Buiten het gewone onderhoud was er sinds 1907 niet veel meer gebeurd. 'De Schuiven' telde nog steeds twee lange sluitbomen voor de rijweg en twee korte sluitbomen voor het voetpad aan de zuidzijde. In april 1941 waren 'automatische stopseinen' geplaatst. Zij gaven op een verre afstand aan of de overweg open of gesloten was.
In de jaren vijftig raakte het mechaniek versleten en was hard aan vervanging toe. Ook waren na het aanleggen van de onderdoorgang voor fietsers en voetgangers de kleine sluitbomen niet meer nodig. De NS maakte van de gelegenheid gebruik om een nieuwe wachtpost aan de noordwestzijde van de overweg te bouwen met een vrij uitzicht naar alle kanten. Bovendien zou de overweg op kosten van de gemeente nogmaals worden verbreed en opnieuw van bestrating voorzien. De werkzaamheden begonnen in augustus 1959 en op 7 oktober 1959 werden de nieuwe wipsluitbomen geplaatst. Een dag tevoren waren de oude ijzeren bomen en hun zware contragewichten met snijbranders bewerkt en afgevoerd als oud roest. De nieuwe bomen, elk van gelijke lengte en gemaakt van dun hout en aluminium, sloten naar het midden toe op een verend stuitpaaltje. De overweg kreeg een totale breedte van zestien meter. Ook aan de noordzijde lag voortaan een voetpad. Alvorens de bomen omlaag gingen, werden automobilisten gewaarschuwd door knipperlichten. Op 8 oktober 1959, 's morgens om zeven uur, werd alles vanuit de nieuwe wachtpost elektrisch in bedrijf gesteld. Voortaan was er geen sprake meer van 'kleine en grote schuiven'.
 
 
Gezicht op de Markt, circa 1958. In 1957 werd de electrificatie van de lijnen van Roosendaal naar Antwerpen en Vlissingen een feit. Aanvankelijk werd het publiek nog gewaarschuwd voor het aanraken van de draden. De borden verdwenen echter al gauw na de vele aanrijdingen. Hoewel er alleen aan de zuidzijde (rechts) een voetpad ligt, waagt een fietser het toch om aan de verkeerde kant over te steken. In 1959 kwam een grondige vernieuwing van de overweguitrusting tot stand. Links staat de oude wachtpost uit 1907.
 
De moderne sluitbomen zouden slechts dertien jaar meegaan. Op 26 november 1972 kwam een geheel nieuwe beveiliging van het spoorwegemplacement Roosendaal in dienst, waarbij ook de handbediening van 'De Schuiven' moest plaatsmaken voor een AHOB (Automatische Halve Overwegbomen) op de rijweg en aparte sluitbomen op de voetpaden.
 
 
Op een zondagochtend rijdt een goederentrein vanuit Essen het Roosendaalse emplacement op. De overwegbomen zijn neergelaten. Foto M.C.J. Broos, 5 maart 1972.
 
 
Het is zondagmorgen en de overwegwachter staat te genieten van een mooi oktoberzonnetje. Twee maanden later was dit idyllisch tafereeltje verleden tijd. Een AHOB kent immers geen menselijke kracht en rust. Foto M.C.J. Broos, 7 oktober 1972.
 
 
Meer over 'De Schuiven' is te vinden in het artikel: De spoorwegovergang ('De Schuiven') tussen Markt en Kade,
in: tijdschrift De Vrijheijt van Rosendale, nummer 36, juni 2000, blz. 3-13.